Home Artikelen/Articles Nederland's meest onbegrepen sport - een wellicht controversiële opinie (dutch only)
Nederland's meest onbegrepen sport - een wellicht controversiële opinie (dutch only) PDF Afdrukken E-mailadres
Geschreven door Administrator   
woensdag, 24 februari 2010 12:49


Bestaat zo'n sport dan? zult u denken. Jazeker bestaat deze; het betreft de snelheidssport.
Voorzover bekend is er nooit wetenschappelijk onderzoek naar gedaan, maar de rest van dit verhaal zal u duidelijk maken dat de titel
van dit artikel geen loze kreet is.

Omdat het ondoenlijk is het gehele gamma van de snelheidssporten te behandelen, beperken wij ons hier gemakshalve grotendeels tot de autosport. De conclusies in dit artikel kunnen echter ook met zekerheid worden getrokken ten aanzien van de overige snelheidssporten.

Verdomhoekje
Om meteen maar met de deur in huis te vallen: de autosport zit in Nederland in het verdomhoekje. Dit geldt zowel voor de faciliteiten (bijv. racebanen en mogelijkheden voor autosporters om zich te ontplooien) als voor de media aandacht. Maar, zult u zeggen: de Formule 1is toch vaak in het nieuws? Het is noodzakelijk dit wijd verbreide misverstand te nuanceren. Vóór de opvallende verrichtingen van Jos Verstappen in de F1 was de aandacht voor autosport in Nederland nauwelijks aanwezig. Als er al eens iets over in het nieuws kwam was dat meestal negatief (ongelukken). Het is de  grote verdienste van Jos Verstappen dat hij de Formule 1 op het menu van de Nederlandse (met name commerciële) media heeft weten te zetten. Echter, nu Jos en andere Nederlandse coureurs niet meer deel nemen in het wereldkampioenschap Formule 1, is de publieke belangstelling al weer teruggezakt naar het niveau van voor 1995.

Nederland's meest veelzijdige autocoureur, Gijs van Lennep, heeft eens gezegd 1) dat de oorzaak van de desinteresse van de Nederlanders in de autosport te wijten is aan het niet in ons land aanwezig zijn van grote automobielfabrieken en aanverwante bedrijven. Hoewel dit ongetwijfeld een rol speelt, is het niet de enige reden. Er zijn drie andere redenen aan te wijzen voor de onbegrepenheid bij het grote publiek: de eerste is het gebrek aan historisch inzicht in de ontwikkeling van de automobiel, de tweede is het beleid van de overheid inzake snelheidssporten en de laatste (maar niet de onbelangrijkste) is de eenzijdige sportverslaggeving.

De beginjaren van het automobilisme
Ten tijde van de beginjaren van het automobilisme waren er in Nederland wel degelijk initiatieven ten aanzien van de vervaardiging van automobielen, men denke bijvoorbeeld aan het merk Spyker, ter ziele gegaan in 1925, maar herrezen als exclusief sportscarmerk in 2000.
In het begin van de 20e eeuw was Spyker een innovatieve onderneming, getuige de 60 pk racewagen die men bouwde in 1903 (zie onderstaande foto). Deze racer was uitgerust met s'werelds eerste zescylinder benzinemotor en ook nog eens vierwielaandrijving; voorwaar zeer vooruitstrevend. Jammergenoeg heeft zich dit niet voortgezet, want Spyker werd namelijk net als zoveel andere autofabrikanten uit die tijd slachtoffer van de eerste wereldoorlog (de afzetmarkt verdween). Waarom nadat de oorlog voorbij was geen enkele fabrikant van personenauto's in Nederland de draad weer heeft kunnen oppakken zal wel altijd duister blijven. Men mag evenwel aannemen dat steun aan autofabrikanten destijds geen prioriteit van de overheid is geweest.



Frappant
Niet alleen het gebrek aan autoindustrie typeert ons gebrek aan historisch inzicht. Als men men met buitenlanders over dit onderwerp spreekt is het frappant te ondekken dat zij zich over het algemeen veel meer bewust zijn van de rol die de autosport gespeeld heeft bij de ontwikkeling van de automobiel. Dit verklaart wellicht ook de meer volwassen opstelling ten aanzien van snelheidssporten bij buitenlandse sportmedia.

Waar is het dan fout gegaan? Het is te gemakkelijk om onze volksaard de schuld te geven, hoewel het volgende toch te denken geeft: na de allereerste uiting van autosport in Nederland, de wedstrijd Parijs-Amsterdam-Parijs in 1898 (gewonnen door Fernand Charron met een Panhard & Levassor), werd de regering geïnterpelleerd met de vraag of de veiligheid wel gediend was met de voorbij scheurende benzinemonsters en bovenal of de deelnemers aan de wedstrijd wel de tolgelden hadden bestaald! Gelukkig was de Franse organisatie van de rit zo attent geweest de tolgelden vooraf over te maken 2).


Geen ontwikkeling in Nederland, in andere landen des te meer . . .
Uit het voorgaande kan men afleiden dat de autosport ook toen al niet met open armen in Nederland werd ontvangen. Terwijl in de rest van Europa (gevolgd door Amerika) overal autosport faciliteiten uit de grond werden gestampt bleef het op dat vlak in Nederland oorverdovend stil. Intussen bouwde Italië z'n nationale Monza circuit, Frankrijk Monthléry bij Parijs (onderstaande foto) en het semi-permanente 24 uurs circuit bij Le Mans, Duitsland de Avus strecke bij Berlijn, Engeland de Brooklands baan en last but not least Amerika de 500 miles "brickyard" bij Indianapolis. Geschiedkundig aanwijsbaar heeft parallel hieraan de automobielindustrie in de genoemde landen een stormachtige ontwikkeling doorgemaakt, hetgeen niet in de laatste plaats te danken was aan de onderlinge wedijver van de fabrikanten om de ander te snel af te zijn op de racebaan (de op de bovenstaande foto getoonde Bollée racer, welke in 1898 deelnam aan de wedstrijd Parijs-Amsterdam-Parijs, werd geproduceerd in de Franse stad Le Mans, ook tegenwoordig nog het mondiale epicentrum van autosport). Door als toen toch ook niet onbemiddelde natie het merk Spyker te laten doodbloeden en geen verdere initiatieven te ontplooien heeft Nederland zich destijds een bloeiende autoindustrie laten ontgaan. Toen vrachtwagenbouwer DAF in de jaren zestig van de vorige eeuw personenwagens ging bouwen was het al te laat om nog concurerend te zijn in de markt.


Het circuit van Zandvoort
Uit onvrede met de geschetste ontwikkelingen hebben na de Tweede Wereldoorlog een aantal autosport enthousiastelingen, met steun van bekende Nederlanders, waaronder Prins Bernhard en de toenmalige Burgemeester van Zandvoort 3), het voor elkaar weten te krijgen een voormalig Duits militair terrein in Zandvoort om te toveren tot het eerste nationale autosportcircuit. Het spreekt voor de doortastendheid van de Nederlandse Autorensport Vereniging (NAV, later KNAF) dat het hen uiteindelijk lukte de top van de autosport (de toen net ontstane Formule 1) naar Nederland te halen en een vaste plaats op de jaarlijkse wedstrijdkalender te krijgen. Helaas is deze fantastische verworvenheid in de tachtiger jaren van de 20e eeuw o.a. door de zo typerende hollandse (milieu)kneuterigheid naar het lijkt voor eeuwig verloren gegaan. Wie de moeite neemt de reeks artikelen over de Kartsport in Noord Nederland in de 70'er jaren (hier op de RetroRace site) te lezen, zal merken dat dit niet alleen het circuit in Zandvoort overkwam.

Dominerende krachten in de audiovisuele media
Met name bij de publieke omroep lijkt de sportverslaggeving erg onder invloed te staan van sportconglomeraten als KNVB en KNSB. Het kan niemand ontgaan dat de door hen bestuurde sporten onevenredig veel aandacht krijgen op zowel radio als televisie. Frequent wordt tijdens radiouitzendingen successen in de voetbalsport en het schaatsen vermeld, maar ook futiele feiten (zoals trainerswissels en blessures) worden uitgebreid belicht. Dit heeft inmiddels al geleid tot de vaststelling dat radio en televisie worden geteisterd door een voortwoekerende "sportschimmel" 4). Hierdoor is er nog maar weinig tijd over om aandacht te besteden aan andere sporten (en aan snelheidssporten al helemaal niet). Het lijkt wel of Nederlandse sportjournalisten tijdens hun opleiding totaal geen inzicht wordt geboden in de tegenwoordigheid en historie van de snelheidssporten (immers, als ze zich al eens op dat terrein wagen geven ze er nogal eens blijk van niet goed op de hoogte te zijn). Gelukkig heeft de komst van commerciële televisie het voor de liefhebbers van snelheidssporten een stuk dragelijker gemaakt, maar de snelheidssport liefhebber die onvoldoende financiële draagkracht heeft om de betaalde kanalen te kunnen bekijken blijft er van verstoken. In dit opzicht kan geconcludeerd worden dat het democratisch gehalte van de sportverslaggeving ver te zoeken is.

Negatieve invloed
Voorgaande vaststelling heeft duidelijk een negatieve invloed op het sportlandschap in Nederland.
Doordat met name jongeren die welwillend staan ten opzichte van snelheidssporten vrijwel nooit te maken krijgen met aansprekende commentaren, zullen zij zich niet gauw op de hoogte stellen van mogelijkheden om aan een snelheidssport te gaan deelnemen (de kartsport bijvoorbeeld wordt in de sportverslaggeving vrijwel nooit genoemd). Daarentegen krijgt het voetbalhooliganisme dermate veel aandacht, dat het voor bepaalde groepen interessant blijft om rotzooi te trappen.
Dat e.e.a. samen met het gebrek aan historisch besef ten aanzien van de autosport de nodige consequenties heeft, moge blijken uit het feit dat men bij de meeste Nederlandse openbare bibliotheken bij de afdeling "sport" geen boeken over snelheidssporten kan vinden. Kijkt men daarentegen bij de afdeling "vervoer" dan is de kans dat men daar een boek met op de rug het opschrift "Autosport" aantreft groot en tegelijkertijd veelzeggend.

Voorbeelden van het gebrek aan media aandacht
Ondanks de tegenwerking die de autosport in Nederland ten deel valt zijn er toch altijd Nederlanders geweest die zich onderscheiden hebben in de moeilijkste takken van de autosport. Onderstaand een opsomming van belangrijke successen die de gemiddelde Nederlander door vooringenomen sportverslaggevers grotendeels, of geheel zijn onthouden:

  • Carel Godin de Beaufort behaalde in 1962 als eerste Nederlander punten in het wereldkampioenschap Formule 1. Er zijn weinig landgenoten die dit weten.

  • de eerder in dit atikel genoemde Nederlandse coureur Gijs van Lennep won zowel in 1971 (met de Duitser Helmut Marko) als in 1976 (met de Belg Jackie Ickx) de moordende 24 uurs race van Le Mans voor Porsche. In de Nederlandse media is er minimaal over gerept, maar in de buitenlandse des te meer.

  • de bekende Nederlandse coureur Jan Lammers won in 1988 samen met de britse coureurs Andy Wallace en Johnny Dumfries de 24 uurs race van Le mans voor Jaguar.
    Dit feit werd destijds in het NOS progamma "Studio Sport" vlak voor het einde met één (afgeraffelde) zin gemeld.
    De volgende dag werden Jan en zijn collega's (toegejuicht door hordes britse ausportfans) ontvangen en geëerd op Buckingham Palace. Nederlandse radio en TV aandacht hiervoor: nul.

  • de Nederlander Arie Luyendyk won in Amerika twee keer (in 1990 en in 1997) de vermaarde Indianapolis 500 miles race. De Amerikanen dragen hem nog steeds op handen, maar in Nederland kennen vrijwel alleen de echte autosportliefhebbers hem.

  • de Nederlander Lex Joon werd in 2005 Europees kampioen in de Top-fuel klasse bij het dragracen. De Top-fuel klasse valt in Europa onder de regelgeving van de Internationale Autosport Federatie (FIA). Lex is zo goed als onbekend bij de doorsnee Nederlander, echter in Engeland en in Amerika, waar hij tegenwoordig zijn krachten meet met de US vedettes, is hij een bekende verschijning.

    Opmerking van de auteur: stel je eens voor - je hebt voor het beoefenen van je favoriete sport geen mogelijkheden in Nederland (afgezien van het vrijwel permanent gesloten vliegveldje van Philips bij Drachten). Naast de financiële offers die het dragracen met zich meebrengt moet je dus altijd naar het buitenland om te kunnen trainen en racen. Dan is het contrast met bijvoorbeeld de bobsleesport (waarvoor ook geen serieuze faciliteiten in in Nederland bestaan, maar die wél volop in de belangstelling van de media staat) wel heel groot. Het moet ongetwijfeld zuur zijn om als Europees kampioen dragracen in je eigen land zo weinig erkenning voor je prestaties te krijgen.

  • Jos Verstappen won samen met onze landgenoten Peter van Merksteyn en Jeroen Bleekemolen in 2008 met een Porsche de LMP2 klasse voor prototypen in de 24 uurs race van Le Mans. Bij de publieke media werd dit in de internationale autosportwereld belangrijke feit slechts met een armetierig artikeltje belicht op de internetsite van NOS-Sport. Bij de commerciële omroep, die wel videobeelden liet zien, kon wegens tijdgebrek de huldiging niet meer worden getoond. RetroRace stelt u in staat de huldiging alsnog te bekijken door hier te klikken.

Bovenstaande vermeldingen zijn geen pleidooi om de media aandacht voor autosport naar hetzelfde niveau als de geijkte sporten te tillen, echter een meer adequate vermelding van belangrijke successen is uitermate wenselijk. Natuurlijk zijn er veel meer Nederlanders die aansprekende successen in de snelheidssporten hebben geboekt. Meestal is van hun inspanningen ook geen verslag gedaan in de media. Wie echter de moeite neemt om op internet te zoeken kan veel interessante lnformatie tegenkomen.

Het selectieve sportbeleid van de overheid
In ons land is het gebrek aan faciliteiten voor beoefenaren van snelheidssporten in flagrante tegenstelling tot de faciliteiten die aan beoefenaren van (met name) balsporten worden geboden; terwijl onder het argument "beweging is goed voor u" 5) met miljarden aan gemeenschapsgeld een surplus aan sportvelden is gerealiseerd, moeten beoefenaren van snelheidssporten over het algemeen zelf betalen voor de huur van een door een commerciant gerund circuit (die op zijn beurt de overheid weer in de nek voelt hijgen m.b.t. milieu regels). Vermeldenswaard is overigens dat in sommige delen van het land door lokale overheden (die waarschijnlijk wroeging kregen van hun selectieve beleid) op afgelegen plaatsen z.g. "regionale lawaaisporten centra" zijn ingericht. Er zijn er echter veel te weinig van en ze zijn in de meeste gevallen ingericht voor slechts één snelheidsport (bijv. grasbaanracen). Het hoeft dan ook geen verbazing te wekken dat jongeren die snelheid willen beleven niets anders overblijft dan hun onderlinge krachtsverhoudingen te meten op de openbare weg (met alle gevolgen van dien).
Een voorbeeld hoe het beter kan is te vinden in het Verenigd koninkrijk (Engeland); hier geen tekort aan circuits en een bloeiend clubleven. Iedereen die wil kan daar met bescheiden middelen meedoen aan het clubracen. Vergeet vooral niet dat de aanwezigheid van dergelijke voorzieningen, behalve (amateur) coureurs ook ingenieurs en technici in de dop aantrekt. Zij kunnen op die manier in een competatieve omgeving belangrijke technische kennis en ideeën opdoen. Iedereen weet dat er in onze maatschappij juist grote behoefte is aan deze mensen, dus snijdt het mes hier aan twee kanten.

Economische consequenties
Wie denkt dat we als natie geen prijs betalen voor het achterstellen van de snelheidssporten heeft het mis. Iemand die goed had begrepen wat de waarde is van autosport voor ontwikkeling en wereldwijd zaken doen was Victor Muller, de CEO van Spyker cars in de eerste decade van de 21e eeuw. Niet geheel toevallig nam Spyker van 2002 tot 2010 deel aan de 24 uurs race van Le Mans en andere sportscar wedstrijden. In het licht van dit artikel is het wellicht goed voor te stellen dat Victor eind 2009 genoeg had van de Nederlandse kneuterigheid en aankondigde het bedrijf te zullen verkassen naar Engeland (dat het met Spyker uiteindelijk niet goed is gegaan vanwege het mislukte avontuur met de overname van Saab doet niets af aan de grondslag van de beslissing om het bedrijf te verplaatsen).
Voor wie niet goed op de hoogte mocht zijn: de Britten mogen na de val van British Leyland en andere bekende merken dan geen auto industrie van formaat meer hebben; wat zij inplaats daarvan hebben weten op te bouwen is een industrie van hoogwaardige automotive componenten en services. Een bedrijf als Spyker zal zich daarom in Engeland als een vis in het water blijven voelen.


Vooral nu de komende decennia op het gebied van vervoer een omslag zal plaatsvinden van aandrijving door fossiele brandstoffen naar alternatieve, zijn de Britten met hun uitgebreide mogelijkheden om de hiervoor benodigde technologiëen te ontwikkelen (en deze te testen met behulp van de autosport), goed voorbereid op de toekomst.
Als wij in Nederland niet wakker worden en door blijven gaan met alleen maar praten over innovatie, mogen wij straks de prijs voor die ontwikkelingen ophoesten, welke dan verdisconteerd zal zijn in de aanschafprijs van de nieuw ontwikkelde voertuigen (die wij zullen moeten importeren). De vraag zal zijn of we de aanschafprijs van deze voertuigen dan nog wel kunnen betalen.


Kansen

Kunnen we het tij nog keren? Misschien, echter alleen als we alsnog inzien welke waarde de snelheidssporten hebben voor de ontwikkeling van nieuwe voertuigtechnieken. Tevens zullen deze sporten uit het verdomhoekje moeten worden gehaald en zal er minder geld en aandacht moeten worden besteed aan sporten die op termijn niets anders opleveren dan leuke boekwerken en DVD's.
Wanneer het besef werkelijk doordringt dat er aan de beschikbaarheid van fossiele brandstoffen een eind komt (hetgeen al wordt verwacht in de eerste helft van de 21e eeuw), zal er een versnelde ontwikkeling beginnen van door andere brandstoffen aangedreven c.q. van een andere aandrijftechniek voorziene voertuigen.
Net als in de begintijd van de door een benzinemotor aangedreven automobiel zullen deze nieuwe technieken eerst onbetrouwbaar zijn. Verbetering gaat het snelst in een competatieve omgeving zoals autosport. De Engelsen bezigen niet voor niets de uitspraak "Racing improves the Breed". Zij zijn het die inmiddels de daad bij het woord hebben gevoegd, getuige het in het leven roepen van een overheidsinstelling (EEMS), die de inzet van alternatieve brandstoffen en aandrijftechnieken bij snelheidssporten moet bevorderen. Eén en ander leidde in 2010 al tot het instellen van de EVcup, een raceserie voor electrisch aangedreven voertuigen in Engeland.
Het mag duidelijk zijn dat Nederland op dit gebied inmiddels een grote achterstand heeft. Alleen door niet dezelfde fouten uit het verleden te maken kunnen we deze achterstand verkleinen; dus: innovatieve bedrijven die zich met voertuigtechniek bezighouden niet wegpesten, maar juist ondersteunen. Tevens zouden de snelheidssporten moeten worden ontdaan van het tegenwoordig meer en meer onterechte imago van "onveilig" en "vervuilend". Wellicht dan kunnen we onze toekomst wat betaalbaar individueel vervoer betreft nog veiligstellen.

Bronvermeldingen c.q. opmerkingen:

1), 2) en 3) 100 jaar Autosport, 50 jaar Circuit Zandvoort (ISBN 90 804047 3 X)

4) uitspraak van de Nederlandse historicus, hoogleraar en schrijver Maarten van Rossem

5) in de kern is deze bewering juist, echter, wie ooit eens heeft gezien wat er in ziekenhuizen bij de ongevallenpoli's op een willekeurige zaterdag wordt binnengedragen gaat hier ongetwijfeld een stuk genuanceerder over denken; sportblessures bij breedtesporten kosten de maatschappij meer dan menigeen beseft.

Laatst aangepast op woensdag, 04 april 2012 09:45